Cultuur, Geloven & Leven

Met God valt niet te spotten


Getagd: , , , , , , , , .

Cartoon van Alexei TalimonovKan God – als hij bestaat – beledigd worden? Ik bedoel: als God niet bestaat, wat een heel aantal mensen vermoedt of zelfs zeker denkt te weten, dan kan hij ook niet beledigd worden. Beledigd zijn dan alleen zijn volgelingen, de goedgelovigen onder ons. Maar die vergissen zich dus eigenlijk als ze voor de naam van God opkomen. Daar kun je begrip voor hebben, maar het blijft wat oneigenlijk. Wie niet bestaat kan noch vereerd, noch geblameerd worden.

Even gesteld dat God toch bestaat. Iets wat ook een heel aantal mensen zou willen geloven of waarvan ze zelfs diep overtuigd zijn. In dat geval lijkt het simpel: God mag je niet beledigen en niets is logischer dan dat zijn volgelingen daar straf de hand aan houden. Toch ligt dit niet zo simpel.
Afgelopen week had ik de luxe op het dakterras te zitten van onze architectonische lieveling in Amsterdam, de nieuwe bibliotheek. Met uitzicht over de stad kwam het gesprek op geloof en cultuur. En met dank aan de nieuwste rimpeling in de mediavijver van de EO kwam deze overweging weer naar boven. Mijn gesprekspartner reageerde in de lijn die ik de afgelopen jaren vaker aangetroffen heb bij jonge professionals die ook nog eens geloven in God. Een nuchterheid die ik de moeite waard vind eens onder woorden te brengen. Kort gezegd: het risico dat God beledigd wordt valt wel mee. En christenen doen er goed aan niet zo krampachtig te reageren op grappen over God, geloof en bijbel. God kan wel tegen een stootje, juist omdat hij bestaat en God is. Zoiets.

Dit weekend kwamt Trouw met een fraai overzichtsartikel rond de cabaretkwestie bij de EO. Met als kern: klem tussen missie en achterban. Het geeft een goed inkijkje in de dillemmatiek van een EO die een missie heeft geformuleerd die sterk naar buiten gericht is. Even opgetild boven de kakafonie van gelovigen en uitkijkend op de stad, komt mij voor ogen dat gelovigen wel eens te krampachtig reageren op een seculiere omgeving die kritisch is en dat soms in grappen verpakt. Grappen zijn nogal eens leerzaam, niet in het minst als ze gaan over mensen, tradities en kerken. Volgens mij is het al een groot verschil of iemand spot met God als zodanig of met zijn ‘achterban’. Helaas is voor dat laatste voldoende munitie beschikbaar. En enige zelfrelativering werkt op zo’n moment bevrijdend. Leve de religieuze satire die de beslagen spiegel zo nu en dan schoonveegt. Zie je zelf en lach!

Maar hoe zit dat met God zelf? Kun je grappen maken over God en verwachten dat gelovigen dat maar over hun kant laten gaan? Ik kan me niet aan de indruk ontrekken dat deze discussie mee beïnvloed wordt door de wijze waarop grappen richting de Islam beantwoord worden. Vergeleken bij de cartoonrellen die zo nu en dan opsteken steken christenen wat bleek af en komen ze wellicht wat mat over. Geen dreigementen na een spottende cartoon, hoogstens persoonlijke gevoeligheid en wat verbaal verweer op persoonlijke titel van een enkeling. Maar dat wordt blijkbaar anders als een christelijke organisatie zelf de spotters in huis lijkt te halen. Zo gevoelig ligt het dan weer wel dat grote groepen gelovigen het niet meer volgen, boos raken en de zaal dreigen te verlaten. Of heeft dit te maken met beïnvloeding vanuit de fundamentalistiche manier van reageren bij anderen?

Herman FinkersKatholieken lijken hier de beste papieren te hebben in de praktijk. Hoe star en top-down het Vaticaan ook in elkaar zit, op het kerkplein klinken grappen die zo van het marktplein komen. Katholieken hebben een ontspannen gevoel voor humor en zelfspot. Iemand als Herman Finkers (maandag bij Knevel en Van den Brink te gast lees ik op twitter) maakt regelmatig grappen over God, kerk en geloof. Tegelijk staat hij bekend als gelovig. Dat alles op z’n Finkers, maar blijkbaar gaat dat samen.

In Nederland gold sinds 1932 de wet op de godslastering, iets wat begin dit jaar opnieuw tot discussies leidde. Afschaffing van artikel 147 hoeft volgens mij niet zo zwaar geladen te worden. Zinvoller lijkt het een stap verder te komen in het omgaan met vrije meningsuiting versus misbruik hiervan ten koste van wie of wat dan ook. Ik ben geen warm voorstander van het scenario dat christelijk Nederland op scherp gaat staan rond uitlatingen richting God en geloven. Jezelf slachtofferen en een inhoudelijk gesprek blokkeren is het enige wat volgens mij het gevolg zal zijn. Ik kan me persoonlijk ook te vaak goed inleven in grappen, kritiek en scepsis van niet-gelovigen. Juist het gegeven dat God voor mij een Realiteit is op het diepste zijnsniveau betekent voor mij een opening om alle negatieve gevoelens en rationele kritiek een plek te geven. Was God & Co een zinkend schip in deze wereld, dan zou ik krampachtiger het laatste restje hoop omhoog houden. Nu is dat volgens mij niet nodig. Wat er in de golven verdwijnt is hoogstens een bepaalde verschijningsvorm van traditie en historisch christendom in dit stukje van de wereld. Maar er is meer dan dat, juist omdat God GOD is.

Pijnlijke vraag: waardoor wordt de naam van God meer beledigd: door niet-gelovigen die hier en daar een duw uitdelen, of door futiel of kleinmenselijk gedrag van gelovigen zelf? De vraag stellen is haar beantwoorden. Als ik naar mijn eigen ‘gevoeligheid’ kijk, heb ik zeker moeite met het besmeuren van Gods naam. Maar ik heb wel geleerd dat die ‘smet’ vaak veel van mezelf zegt en minder van God. God is daar te groot voor. Gesteld dat hij bestaat, en dat vermoeden heb ik intussen behoorlijk diep van binnen… En daarbij leun ik minder dan voorheen op mijn eigen gevoel van ‘overtuigd’ en ‘zeker’ zijn alswel dat ik mezelf zie aanhaken bij een grotere zekerheid die boven mijzelf uitgaat. Juist dat maakt ontspannener met dit soort zaken om te gaan. Wat hebben gelovigen te verliezen? En zijn aanwijzingen in de bijbel die godslastering betreffen niet vaak primair gericht tegen de gelovigen? Was Jezus niet vooral mild naar buiten en kritisch naar binnen toe?

Een kerk die het bestaan van God infantiliseert of macabere godsbeelden oproept staat meer op gespannen voet met de eer van Gods naam dan een kritische caberetier. Ik ga niet beweren dat ik alle grappen over God of geloof leuk vindt. Zowiezo moet ik bekennnen regelmatig cabaret weg te zappen omdat ik het te plat, flauw of griezelig leeg vind. Ik kan me ook voorstellen dat iemand dusdanig grof en kwetsend God te kakken zet dat er ergens een grens is aan mijn stelling dat ‘God wel tegen een stootje kan’. Maar dan nog moet God dat zelf bepalen en laat ik dat graag aan hem over. Zelf kijk ik liever of er verbinding mogelijk is voor gesprek. Mij boeit wat iemand drijft iets te zeggen en bepaalde religieuze spot ten tonele te voeren. Vaak een feilloze barometer voor een bepaald levensgevoel dat veel verder gaat dan waar de grap ophoudt.

Kijkend in de spiegel van ondermeer cabaretiers en andere critici is er alle reden die spiegel niet al te normatief weg te duwen. Een spiegel is een lastig en confronterend ding. Lachspiegels zijn meestal ook nog eens vervormd. Dat hoort er een beetje bij. Kerken, organisaties, media en andere christelijke spelers in het publieke domein doen er goed aan tijdig zich te herinneren dat zij zelf een stuk van die lachspiegel zijn. 2000 jaar kerkgeschiedenis is minstens zo belastend voor Gods reputatie op aarde als sommige venijnige en onheuse spot. Vanuit een houding die blijk geeft van dat bewuszijn, zijn er naar mijn gevoel gouden kansen om naast elkaar te staan in een diverse cultuur.

Mijn stelling: als het gaat om religie kunnen christenen een voorbeeldpositie verwerven en verbinding maken die andere religieuze richtingen vooralsnog een brug te ver gaat. Een pracht van een openstaande vacature in een land dat worstelt met z’n verleden en nog onhandig omgaat met een snel veranderend heden.

Wil Nederland in de toekomst op een volwassen manier religie een plek geven dan is er behoefte aan gelovende voorbeelden die zich vrij weten te bewegen in, én te verbinden met hun omgeving.
Het recept: vooral een diepe verworteling in authentiek christelijk godsgeloof.

Want met God valt niet te spotten.