Geloven & Leven

Help! Ik ben een fundamentalist!


Getagd: , , , , , , , , , , , , , .

Eindelijk ben ik ontmaskerd: “U bent de prototypische religieuze fundamentalist. Uw opvattingen zijn godsdienstig en u gunt anderen weinig ruimte voor een afwijkende visie. Het liefst legt u uw overtuigingen op aan iedereen”. Zo, dat is duidelijke taal, daar kan ik het voorlopig mee doen. Mijn eerste score in deze boeiende test van Trouw was maar liefst 64%. Dat percentage betreft mijn religieus fundamentalisme. Wat betreft het algemeen fundamentalistisch gedachtengoed mocht ik mezelf een fundi-light noemen met 63%. Dat klinkt nog leuk, maar betekent toch vooral dat ik welliswaar geen geharnaste fundamentalist ben in het algemeen, maar dat ik slechts aan de buitenkant tolerant lijk. Van binnen ben ik overtuigd van mijn eigen gelijk. Ook hier sta ik dus te kijk als een soort Trojaans Paard van Intolerantie.

Tijd om eens dieper af te steken naar de fundamentals van deze test. Als je de aflevering bekijkt van Schepper & Co, waarin Jacobine Geel in gesprek gaat over deze test, wordt al een en ander duidelijker. Ik ben opgelucht als ik merk dat ook anderen vinden dat iemand als Herman Philipse wel hoog zal scoren. Deze doorgewinterde atheïst is bekend om zijn duidelijke overtuigingen die hij met een wetenschappelijke onderbouwing weet neer te zetten. Bekend werd hij om zijn uitspraak dat christelijk geloof intellectueel gezien onder de maat is en “een atheïst is niet arrogant, hij denkt gewoon beter na”. Zijn eigen relativering dat dit een grapje is, wil er nog steeds niet helemaal bij me in. Overigens mag hij dit zeggen, en maakt het hem ook wel een boeiende gesprekspartner: hij draagt zijn overtuiging tenminste met verve uit. Mijn waardering hiervoor wordt mij vervolgens fataal als blijkt dat niet hij fundamentalist is in zijn denken, maar ik. Philipse scoort volgens de uitzending in Schepper & Co slechts een 16%. Een groot relativist dus en een bescheiden man die anderen veel ruimte biedt.

Mijn enige troost is slechts dat de gasten aan tafel allemaal hoger scoren dan Philipse, maar geen van hen komt toch in de buurt van mijn score. Ook op Twitter wordt het heet onder m’n voeten. Ik besluit de stoute schoenen aan te trekken en de test met een kritische blik nogmaals te doen. Ik vermoed namenlijk een paar scharnierpunten waarop ik kan scoren als ik de zaak gewoon eens met een ruime blik bekijk. Het helpt. En niet te weinig: ik ben nu ruimdenkend, scoor een 29%. Ik gun eindelijk (dat werd tijd!) anderen hun mening. Maar Trouw heeft nog wel een appeltje met me te schillen, het is ook niet niks: ik ben toch nog een religieus fundamentalist, want tegen de stroom in (welke stroom?) houdt ik vast aan mijn eigen religieuze overtuigingen. Intussen heb ik de vragen maar eens meegeschreven, zodat enige reflectie mogelijk wordt. Want ere wie ere toekomt: Trouw heeft de moed een bijzonder lastig maar relevant onderwerp aan te snijden. En ik ben vooral geïnteresseerd in het waarom: wat legt gewicht in de weegschaal van fundamentalisme? En wanneer ben je geen fundamentalist? Wat ben je in dat geval dan nog wel?

Om te nuanceren: Trouw zelf geeft aan dat het begrip fundamentalisme z’n oorsprong heeft in 1910, waar een beweging van protestanten nieuwe aandacht vroeg voor vijf fundamentals van het christelijk geloof. Hun strikte opvatting en militante optreden levert hen de benaming fundamentalist op. Dat is een andere context dan de onze anno 2010 waar we eerder denken aan onverdraagzaamheid en extremisme. Amnesty International onderkent ook nuancering en histortische setting, maar geeft ook helder aan hoezeer het meestal gaat om religieuze onverdraagzaamheid en strijdigheid met mensenrechten. Hierbij wordt verwezen naar onderschikking van de vrouw, niet erkenning van internationale verdragen en vervolging van anders gelovigen. Het hedendaagse fundamentalisme loopt uit op terrorisme en zelfmoordaanslagen.
Ik denk zelf dat in deze weergave ook het problematische schuilt van een Fundi-test zoals Trouw nu neerzet. Vooral de uitslagen worden voorzien van sterke uitspraken, wat onbedoeld toch refereert aan het fundamentalisme zoals we dat vandaag kennen. Het blijft een lastig gesprek om fundamentalisme enerzijds in een ruimer jasje bespreekbaar te maken, en anderzijds toch te spreken in termen die passen bij onverdraagzaamheid. Het is vooral de vraag wat voor soort duidelijkheid dit schept. Volgens mij wekt het verwarring. Het meest positieve zou zijn dat het een vernieuwd gesprek opvlevert over onze persoonlijke en gezamenlijke overtuigingen.

De Belgische Kerkjurist Rik Torfs schrijft in Trouw zelfs een lofzang op het fundamentalisme. Met zijn humor weet hij ook in het gesprek aan tafel bij Jacobine Geel aan te duiden hoezeer het zinvol is dat mensen wel hun ankerpunten hebben. Een maatschappij waar mensen in toenemende mate niet meer weten waar ze zelf staan, is ook niet het ideaal om voor te gaan. Ik deel dat met hem. Toch vermoed ik dat de onuitgesproken tegenpool in de Fundi-test een volstrekt relativisme is. En dat maakt het gesprek wat oneigenlijk in mijn ogen. Is relativisme het enige alternatief voor fundamentalisme? In mijn persoonlijke overtuiging is christelijk geloof juist een geloofsovertuiging die het dillemma tussen absolutisme en relativisme overstijgt. Toch krijg ik in de Fundi-test daar maar geen waardering voor. Arme ik. Ik ben en blijf een fundamentalist, hoezeer ik ten allen tijde pleit voor openheid, respect en gelijkwaardigheid van mensen, seksen, overtuigingen en geloofsrichtingen. Het mag niet baten. Het is de moeite waard eens te kijken op wat voor soort vragen deze manier van denken is gebaseerd. Want één ding mag ik hopelijk nog wel kwijt: de Fundi-test lijkt zelf behoorlijk dwingend in een bepaalde richting te denken. Waar je aangeeft enigszins een eigen overtuiging te koesteren, daar gloort het verwijt van eigen gelijk en onverdraagzaamheid naar anderen.

Van de achttien vragen zijn er veertien inhoudelijk en vier betreffen leeftijd, geloofsrichting en dergelijke. Dit zijn in het kort de relevante vragen:

1. Aan mijn keuzes op verschillende levensterreinen is af te leiden welke levensbeschouwing ik heb.
2. Mijn waarden en normen zijn ook goed voor iedereen.
3. Mijn levensvisie biedt uiteindelijk antwoord op alle vragen.
4. Het scheppingsverhaal vertelt precies hoe de aarde is ontstaan.
5. Sommige zaken zijn zo belangrijk voor mij dat ik bereid ben daar aan vast te houden, ook al is het in strijd met de wet.
6. Sommige mensen kunnen mij overtuigen van hun gelijk, terwijl hun levensstijl of overtuiging heel anders is dan die van mij.
7. Bij het maken van keuzes kan je gevoel een stoorzender zijn.
8. Mijn waarden staan onder druk.
9. Sex voor en buiten het huwelijk is verwerpelijk.
10. Waar ik ook ben, ik zal altijd aan mijn religieuze verplichtingen proberen te voldoen.
11. Mijn levensovertuiging is te prefereren boven die van anderen.
12. Anderen hebben het recht volgens hun eigen overtuiging te leven.
13. De maatschappij verloerdert door moderne ontwikkelingen als individualisering.
14. Er zijn onopgeefbare waarden, die koste wat het kost beschermd dienen te worden.

De vragen zo eens bij elkaar te zien levert al een boeiend geheel op. Met een beetje inschattingsvermogen valt wel te raden waar gescoord kan worden op de ladder van het fundamentalisme. Het probleem is daarbij nogal eens de meerduidigheid van vragen. Stel dat ik bij vraag 1 positief antwoord? Tenslotte is niet ondenkbaar dat je levensovertuiging terug te vinden is op meerdere levensterreinen in je manier van leven. Maar tegelijk is het dan wel de vraag hoe zich dat uit. Maar die nuancering biedt de beantwoording niet. Ikzelf maakte bij de tweede test een wijziging aan bij de vragen 2, 5, 7, 8, 10 en 11. In alle gevallen koos ik eieren voor mijn geld door een minder uitgesproken keus te maken. Bijvoorbeeld vraag 2 ‘Mijn waarden en normen zijn goed voor iedereen’ heb ik in tweede instantie ontkennend beantwoord. In dezelfde lijn ontken ik dan dat ‘mijn levensovertuiging te preferen is boven die van anderen’. Dat scheelt fors in de score. Maar wat is de conclusie hieruit?

Was ik in het eerste geval nou zo arrogant of zelfs intolerant? De vraag is of je niet uit de aard van een diepere overtuiging mag verwachten dat iemand deze ook goed acht voor anderen? En dus beter dan andere overtuigingen? Het zegt op zo’n moment nog niets over de openheid naar kritiek op de eigen overtuiging. In mijn geval: kom maar op met terechte kritiek op het christendom. Ik doe er zelf graag aan mee. En laat maar zien wanneer een gelovige benadering eenzijdig of respectloos wordt naar anderen. Maar dit soort overwegingen zijn hier niet te maken. Terwijl het nogal uitmaakt wat voor soort overtuiging ik zo goed acht voor anderen. Datzelfde valt te zeggen van de stelling ‘Er zijn onopgeefbare waarden, die koste wat het kost beschermd dienen te worden’. Deze zin is intern zo consistent dat ik hem alleen kan bevestigen. Onopgeefbare waarden zijn per definitie beschermwaardig, dus ja: koste wat het kost. Bijvoorbeeld mensenrechten, of je dat vanuit humanistisch of vanuit christelijk oogpunt verdedigt, we zijn het er breed over eens dat het een onopgeefbare waarde is. Maar om mijn score naar beneden te krijgen lijk ik hier te moeten matigen. Levert dat werkelijk een tolerantie op die waardevol is? Volgens mij schiet hier de test langs zijn doel. Wie tolerant en relativerend is in alles, gaat uiteindelijk voor niets. Dat heet geen tolerantie, dat heet onverschilligheid en mond uit in vlak relativisme.

Tot slot nog twee leuke voorbeelden. Vraag 7 legt je voor of gevoel een stoorzender kan zijn bij het maken van keuzes. Mijn tegenvraag zou luiden of dit iets met overtuigingen te maken heeft of met religie. Volgens mij kan elke psycholoog of coach je het antwoord eenduidig geven: ja. Gevoel kan misleiden, onze blik vernauwen, ons onnodig bang maken, enz. Toch vul ik geprest door de uitslag de tweede keer maar in dat het ‘van de situatie afhangt’. Wat wil de Fundi-test hier nou eigenlijk? Opmerkelijk vooral als je bedenkt dat juist gevoelens en irrationele overtuigingen een rol spelen in de huidige radicalisering in de politiek.
Ander voorbeeld is vraag 8: ‘Mijn waarden staan onder druk’. Ik ben christen, en gezien we in een relatief liberale en seculiere maatschappij leven waarin christelijk geloof gemarginaliseerd is, is het logische antwoord: ja. Nu kun je hier ook invullen: ‘ja, maar ik heb er geen last van’. Mooie keus, dacht ik: tenslotte vind ik het niet zo’n punt dat mijn waarden onder druk staan. Ik vind dat gelovigen daar volwassen en open-minded mee om moeten leren gaan. Part of the game. Maar achteraf bedenk ik of dit ook anders geïnterpreteerd kan worden: als harde lijn van iemand die er des te militanter tegenaan gaat. Bij de tweede ronde heb ik ineens nergens last van. En zo zak ik naar een religieuze 38% fundamentalisme. Daar moet mee te leven zijn.

Laat ik eindigen met een citaat van Herman Philipse. In een interview van Trouw zegt hij:

“Twijfel is de permanente toestand van een intellectueel. Je vraagt je altijd af: heb ik gelijk, zijn andere argumenten niet beter?”

Voor mij als gelovige is dit herkenbaar. De bijbel kent veel voorbeelden van het samengaan van diep geloof in God en het onder ogen zien van je vragen en twijfels. Psalm 73 is een bekend voorbeeld. Voor mij is de meest boeiende vraag wat de norm is achter een discussie over fundamentalisme, tolerantie en geloof. Ik geloof zeker dat religie vaak gekozen heeft voor absolutisme en dus fundamentalistisch is geweest. Maar de mainstream van de bijbelse lijn is juist een derde weg tussen absolutisme en relativisme. Met volgens mij de ontdekking dat ook een grenzeloos relativisme weer heel dwingend wordt.
De Fundi-test laat daar al iets van proeven als ik na eindeloze nuanceringen nog te horen krijg ‘tegen de hoofdstroom in te gaan en aan mijn eigen religieuze opvattingen vasthoudt’. Ja, dat doe ik. Maar de waarden die maken dat dit voor mij samengaat met een hoge mate van tolerantie en respect naar anderen lijkt te worden overspoeld door een relativisme dat geen tegenspraak dult.