Geloven & Leven

Elk geloof is fundamenteel! (1)


Getagd: , , , , .

Misschien moeten we met elkaar toegeven dat we niet helemaal raad weten met het hele verschijnsel van religie en geloven. Achter ons liggen eeuwen waarin geloof niet altijd bepaald constructief bijdroeg aan vrijheid en gelijkheid van mensen. In naam van allerlei goden, maar ook in naam van de God die christenen aanbidden, zijn praktijken goedgepraat die niet goed te praten zijn. Hoe waar dit is, hiermee zijn we nog niet klaar met geloof. Ook na 2000 jaar is het nog springlevend, ondanks alle ontwikkelingen en ontmaskeringen. Via in ieder geval twee lijnen is er hernieuwde aandacht voor het religieuze. De ene lijn is die van nieuwe aandacht voor spiritualiteit, wat niet gelijk is aan terugkeer naar de traditionele manieren van geloven, maar wel opening biedt voor dat wat verder reikt dan de kaders van ratio en het waarneembare. De behoefte lijkt weer ‘terug’, maar belangrijker is dat de acceptatie van dat ‘grotere’ groeit in een samenleving die hoog ontwikkeld is. De andere lijn is die van de globalisering die ons in aanraking brengt met vele culturen. Boeddhisme, Hindoeïsme en Islam zijn ineens slechts een paar huizenblokken verwijderd van onze West-Europese seculiere manier van denken en leven.

Het is vooral dat laatste wat ook voor de spanning zorgt. Niet-westerse Islam kan bedreigend ervaren worden en bepaalde vormen van extremisme zorgen voor een onbehagen dat zich opnieuw richt op omlijnde vormen van religie. Tegelijk kijkt de seculiere Nederlander in de spiegel van zijn eigen religieuze geschiedenis en vindt zich opnieuw geplaatst tegenover christelijk geloof. Enerzijds meer ‘eigen’ en vaak in vormen die verre van bedreigend zijn en meer verweven met de eigen samenleving. Anderzijds een herinnering aan sporen en elementen die veel mensen net dachten kwijt te zijn sinds de grote secularisatiegolf van de afgelopen decennia.

We kunnen dus ergens niet om religie heen, maar het is de vraag of de manier waarop het opnieuw gethematiseerd wordt wel de meest makkelijke ingang is. In mijn ogen is het gevaar reëel dat we religie en geloven blijven benaderen vanuit de gedachte dat het oneigenlijk is aan onze algemene maatschappelijke waarden. Iets minder genuanceerd: religie is te makkelijk iets van heel vroeger of iets van de niet-westerse wereld. Wie dan aankomt met het woord fundamentalisme kan niet verwachten dat dit het gesprek verheldert. Je kunt wel zeggen dat het woord niet per definitie negatief is, maar vanuit onze huidige context zou dat wel eens onmogelijk kunnen blijken. Als we niet dieper gaan in het gesprek is zoiets als fundamentalisme juist per definitie negatief: of we menen iets van de Middeleeuwen terug te horen of we denken aan intolerante zo niet militante vormen van Islam. En een verwijzing naar de orthodoxe christelijke biblebelt in Nederland helpt dan ook niet echt: het bevestigt hoogstens de vervreemding die daar over en weer heeft plaatsgevonden. Kortom: we krijgen moeilijk of geen verbinding. Fudamentalisme als begrip blokkeert bij voorbaat een open verkenning, laat staan dat het een zoektocht stimuleert naar mooie elementen van christelijk fundamentalisme in onze eigen persoonlijke bagage.

Wie eerlijk wil zijn over religie zal toch eerst onder ogen moeten zien dat elke vorm van diepe overtuiging teruggaat op fundamentele zaken. Dat geldt ook voor het communisme, socialisme of liberalisme. Maar ook dus geen wereldreligie zonder fundamenten. Als ik me focus op het christendom zijn er een paar zeer boeiende observaties te maken. Historisch, filosofisch en praktisch wil ik iets aanwijzen.

Historisch is christelijk geloof eerder als gevaarlijk voor de maatschappij gezien. Het waren de eerste eeuwen met name. Maar ook later (en nog) in bepaalde landen, is er een (bijna) vijandige houding richting christelijk geloof. Opmerkelijk is dat de hoofdstroom van de historie altijd hetzelfde heeft laten zien: gelovigen verdroegen dit zonder zelf naar geweld en agressie te grijpen. Ook was en is er structureel de ontkenning dat christenen zelf vijandig staan naar hun omgeving. Bekend is uit diezelfde eerste eeuwen dat christenen anders dan hun tijdgenoten niet slechts voor hun eigen armen goed zorgden, maar ook voor armen buiten hun eigen kring. Hoezeer christendom een eigen fundament claimde te hebben, een eigen levensvisie en overtuiging, door de eeuwen heen heeft geloof mensen juist gestimuleerd mee te bouwen aan een maatschappij waarin naastenliefde en gelijkwaardigheid van mensen belangrijk is. Bij alle fouten die er te melden zijn, christelijk geloof heeft in alle tijden en culturen sterk de liefde voor God en de naaste benadrukt in woord en daad. Liefde en bewogenheid zijn blijkbaar belangrijke fundamentele waarden in het christendom. Over fundamenten gesproken.

Filosofisch valt een heleboel te zeggen, maar belangrijk lijkt me om juist nu met een gesprek rond ‘fundamentalisme’ nog eens vast te stellen dat elk geloof uitgaat van vastomlijnde overtuigingen die aan de basis liggen van dat geloof of die overtuiging. Het is ronduit onzinnig om te verwachten dat geloof zichzelf zou ontdoen van zijn fundamenten. Fundamental-isme is duidelijk iets anders. Maar zeggen dat je iets gelooft en er direct bij vermelden dat het niet heel diep gaat, of heel basaal ergens op gebaseerd is, is een interne tegenstrijdigheid. Overigens zijn ook voorvechters van mensenrechten in die zin fundamenteel ergens van overtuigd. En een liberaal niet minder. Daarbij is het zeer de vraag of het verschil wel zo simpel is tussen religie en ‘gewone’ overtuigingen. Waarop baseert een humanist de beschermwaardigheid en gelijkwaardigheid van de mens? Pure wetenschap of een evolutietheorie geeft daar onvoldoende basis voor. Maar hoe dan ook: ergens is er een diepere overtuiging. Dat geldt over wat wij met elkaar waardevol vinden, menswaardig, schoonheid, cultuur, enz. We hebben zo onze diepere overtuigingen. Dat geloof dan verwijst naar een God en een heilig boek is dat niet zo’n groot verschil meer. Dat ligt weliswaar buiten het direct waarneembare, maar dat geldt ook van onze andere diepste overtuigingen.

Praktisch tenslotte nog een opmerking. Als iemand verwijst in de Funditest van Trouw naar hogere waarden en overtuigingen die ook goed zijn voor anderen, scoor je daarmee op de ranking van fundamentalisme. Dat is vreemd, want een gelovige kan weinig anders dan op bepaalde punten buiten zichzelf wijzen. Dat is eigen aan geloof. Natuurlijk ligt daar ook een risico: je onttrekken aan de menselijke maat of de maatschappelijke regels met beroep op ‘God’. Maar geloof verwijst altijd naar iets dat groter is dan jezelf. Anders is het geen geloof, geen spirituele bron om uit te putten meer. En het is veelzeggend dat meer mensen weer op zoek zijn naar inspiratie die verder reikt dan het direct waarneembare. Misschien is de mens wel een ‘fundamenteel’ wezen, hoezeer dit soort funderingspalen ook verwijderd zijn in het verleden. Maar waar leidt deze verwijzing naar iets dat buiten jezelf ligt nou toe bij christenen?

In het ergste geval leidde het tot hun eigen dood. Niet die van een ander. Geen actieve bedreiging van anderen, maar gevangenschap, discriminatie en zelfs de dood van hun zelf. Puur op grond van hun geloof, dat bijvoorbeeld niet een Romeinse keizer als een godheid kon vereren omdat er één God is. Is dat fundamentalistisch? In de bijbel staan tal van uitspraken over God die uniek is en als enige aanbidding mag hebben. Christenen heeft dit een bepaalde nuchterheid gegeven in hun omgang met mensen en omstandigheden. Als de bijbel het verhaal doet van Abraham, dan staat in Hebreeën dat hij ‘de stad met fundamenten verwachtte’. Het is typerend voor een vader van gelovigen zoals Abraham genoemd wordt, om zo in de wereld te staan. Resultaat is vooral een lange adem en het vermogen tot geduld. Juist het fundamentele van geloof geeft christenen een basis die verder reikt dan het moment. In een maatschappij die ronduit hijgerige trekken vertoont is dat een verademing. En hoezeer christenen vanuit de navolging van Christus bewogen zijn met armoede, ziekte en menselijke nood, er is daaronder ook het besef dat gebrokenheid een gegeven is. Dat voorkomt een maakbaarheid die kortademig en perfectionistisch maakt. Met andere woorden: we zouden allemaal, gelovig of niet-gelovig wel eens heel erg behoefte kunnen hebben aan deze elementen.
Rust en overgave om het leven te leiden in plaats van geleefd te worden.
Vanuit geloof bekeken is dat iets dat juist samenhangt met het zoeken naar een diepere basis die buiten jezelf ligt.
Wie dat in rekening brengt gaat fundamenteel denken waarderen en beseffen dat uiteindelijk niemand daar op een bepaalde manier zonder kan.