Geloven & Leven

Het gelijk van Femke Halsema


Getagd: , , , , , , , .

Gisteravond op TV bij Moraalridders was ze kort en prikkelend, afgelopen zaterdag in haar lezing over godsdienstvrijheid ronduit sterk. Gelovigen die denken dat Femke Halsema als niet-gelovige weinig heeft begrepen van dit onderwerp kunnen haar lezing maar beter niet lezen als ze dat beeld willen volhouden. Ik denk dat ik Femke Halsema meer gelijk moet geven dan ik tot voor kort wilde. Ze legt een aantal dingen op tafel die meer dan de moeite waard zijn. En er blijven punten liggen waarvan ik hoop dat het debat doorgaat. Volgens mij kan de benadering van Halsema een nieuwe wending geven aan een patstelling tussen liberaal en christelijk bijvoorbeeld. Er zitten namelijk ook risico’s aan het beschermen van godsdienstvrijheid op de manier waarop dat nogal eens gebeurt.

Bewonderenswaardig is allereerst de stap die zij in haar lezing doet, die ze afgelopen zaterdag in de Jacobikerk op een partijbijeenkomst hield. Haar titel: Godsdienstvrijheid is een individueel recht. Om als niet gelovig en progressief politicus dit neer te zetten vraagt moed. Niet in het minst omdat ze ver gaat in de taak van de overheid om mensen te beschermen in hun gelovig zijn:

“Elk mens in Nederland mag geloven wat hij wil, hij mag het uitdragen, het kan een richtsnoer zijn in zijn persoonlijke en maatschappelijke handelen, hij kan zijn of haar leven eraan wijden.”

Dat zijn geen loze woorden, consequentie voor haar is dat er op grond van geloof niet gediscrimineerd mag worden op de arbeidsmarkt en ze past dat toe op het dragen van een kruisje of hoofddoek. Onlangs sprak de rechter anders uit in Amsterdam ten aanzien van een tramconducteur die zijn kruisje niet zichtbaar mocht dragen. Niet met instemming dus van GroenLinks, waarvan acte! Ze gaat nog verder: ze erkent met zoveel woorden de betekenis van kerken en moskeeën voor mensen persoonlijk en voor de samenleving als samenbindend en richtinggevend.

Dit doorbreekt in mijn ogen in ieder geval de sfeer die ik nogal eens proef in het publieke domein, namelijk dat geloof er vooral niet toe mag doen. Geen lacherigheid, geen verwijzen van religie naar de Middeleeuwen of de vorige eeuw. Richtinggevend voor mensen en zo ook binnen het maatschappelijk geheel. Ik hoop dat christelijke gesprekspartners in dit debat vanuit politiek, organisaties en kerken dit erkennen en in staat zijn hiermee in gesprek te gaan.

Dan nu het eigen punt van Femke Halsema: ze benadrukt het individuele recht. In de lijn van Bas de Gaay Fortman in 1970, zet ze zich af tegen kerkelijke voorschriften en een religie van dwingende leefregels. Ik meen te weten dat hier christenen geneigd zijn af te haken en te vallen over het vermeende individualisme dat hieruit spreekt en de kritiek op kerkelijk gezag. Ik voel dat zelf ook. Toch is het misplaatst om nu terug te schieten in de oude tegenstellingen. Juist hier gaat het pijn doen, maar misschien moeten we dat er maar eens voor over hebben. Want er ligt een groter probleem.

Juist vanuit christelijk geloof kan ik niets inbrengen tegen de grondgedachte dat “kerk noch staat mensen mogen dwingen te geloven of hun geloof af te leggen.” Het is eigen aan geloven dat het uit vrije keus is. En dat geldt ook als het vervolgens iets is dat je collectief samen deelt in geloofsgemeenschappen.

De moeite zit in toepassingen van deze denklijn als het dichterbij komt. Bijvoorbeeld dat je homoseksuelen niet mag weigeren op een reformatorische school als leraar. Of een niet gelovige niet zou mogen weigeren op grond van dat niet-geloven binnen een christelijke organisatie zoals EO, het Scharlaken Koord in Amsterdam of de ChristenUnie. Dat is ook spannend en ik wil er nog een vraag aan koppelen. Maar eerst wil ik laten zien dat Halsema ook hier een punt heeft.

Mee door de invloed van de Islam is dit debat breder geworden. En er is een risico dat christenen te makkelijk de belangen van moslims verdedigen omdat het een gedeeld belang zou zijn op te komen voor religievrijheid. Halsema heeft overigens genoeg bewezen dat juist zij opkomt voor dat belang, ook in het geval van moslims. Maar wat verwachten wij van de overheid en de wetgeving in Nederland als het gaat om vrouwenbesnijdenis? Moet dat toegestaan worden op grond van godsdienstvrijheid? Het is voor de mensen die het voorstaan zeker een religieuze zaak. Toch lijkt dit een duidelijke grens voor velen, ook christenen gruwen hardop mee.

Er is dus een grens aan de vrijheid. Waar ligt die dan? Wat te doen met een school in België die hoofddoekjes verbiedt omdat men merkt dat het de meisjes belemmert zich zelf te ontwikkelen om dat het leidt tot groepsdwang? Halsema steunt dat verbod omdat ze de overweging van de schooldirectie terecht vindt. Tegelijk blijft ze pleiten voor het accepteren van diezelfde hoofddoekjes in het publieke domein op basis van godsdienstvrijheid. Dat is scherp mijns inziens om zo onderscheid te durven maken.

Wat moet de overheid met vrouwen die thuis gehouden worden en niet op straat mogen komen, zogenaamd vanuit religieuze overtuiging van hun echtgenoot? Is dat acceptabel? Maar dan ook naar de andere kant: wat te doen met christelijke groepen waar meisjes niet de kans krijgen te studeren omdat dat ongepast zou zijn? En wat met die overtuigde christelijke sollicitant in het onderwijs die samenleeft als homo, maar lid is van een kerk en integer omgaat met die situatie die voor anderen lastig kan zijn? Mag je dat weigeren als school?

Femke Halsema gaat nog een stapje verder: in Moraalridders herhaalde ze haar stelling die ze eerder voor de EO-camera had gedaan. Ze is van mening dat een christelijke organisatie een sollicitant niet mag weigeren puur op grond van zijn niet-geloven. Gesteld dat de persoon verder past in het profiel en de competenties heeft, maar alleen niet gelovig is. Hier lijkt ze over de grens te gaan van het eigen recht om een christelijke organisatie op te bouwen vanuit christelijke principes. Maar zelfs hier is dat te kort door te bocht.

Ik geef toe dat de stelling van Halsema wat theoretisch klinkt. En toch. In mijn periode als gemeentestichter-predikant in Amsterdam leerde ik hoe waardevol het was te stoppen met het bekende ‘binnen-buiten’ model van kerk-zijn. En dan hebben we het dus over de kerk, niet eens over een organisatie. Het bekende model gaat uit van gelovige leden van de kerk en mogelijk ongelovige gasten in de dienst of een activiteit. Wij gingen uit diepe overtuiging toen een stap verder. Ook niet gelovige muzikanten mochten meedoen in het muziekteam. Voor velen onbegrijpelijk, voor ons niet. En ook konden mensen actief deelnemen binnen de kerkelijke gemeente zonder dat ze volledig gelovig waren en overtuigingen deelden die wij basaal vonden met elkaar. Die openheid is enorm vruchtbaar. Juist als basis en doel duidelijk zijn. In hoeverre is dit niet iets om te overwegen voor christelijke organisaties? Aan de andere kant: ook Halsema komt er niet helemaal uit naar mijn idee. Geloven is niet alleen iets individueels. Juist het gemeenschappelijke is een onderdeel van geloven. En dan kom je bij gezamenlijke afspraken en verschillende stromingen met verschillende gedragspatronen. En ik ben niet blij met het standpunt van een SGP over vrouwen. Maar hoe zinvol is het om een SGP te dwingen (?) vrouwen op de lijst te zetten als dit binnen die kringen strijdig ervaren wordt met de geloofsovertuiging? En wanneer mag een organisatie het gelovig zijn van de nieuwe medewerker als noodzakelijke ‘competentie’ definiëren voor een bepaalde functie? Volgens mij moet hier nog een nieuwe stap in de bezinning gezet worden die ik hier mis. Maar niet zonder dan ook eerst de andere elementen met elkaar te benoemen waarin Femke Halseme terecht haar punt maakt.

Wat ik belangrijk vindt voor dit debat zijn een paar dingen. Allereerst het serieus nemen van de boodschap van Halsema zonder direct de christelijke stekels rechtop te zetten. En als tweede: laten we toegeven dat er een spanningsveld is waar we (nog) geen raad mee weten. Juist christelijk geloof mag nooit een vrijbrief zijn tot gewetensdwang. En een overheid dient dat op het publieke domein te bewaken. En het derde belang is: inzien dat naïviteit misplaatst is en onderkennen dat er ook gevaren aan bepaalde religieuze stromingen zijn die vragen om herbezinning in het publieke domein (Halsema noemt de onderschatte invloed van salafisme in Nederland).

Was het niet juist André Rouvoet als minister die ervoor pleitte desnoods achter de voordeur te kijken als overheid als daar in het belang van het kind reden toe was? Dat is spannend en niet zonder risico’s. Maar een beroep op godsdienstvrijheid zonder te definiëren wat de aard en grenzen van die vrijheid zijn is nog veel riskanter.
Het onderscheidend vermogen dat Femke Halsema wel lukt in de hoofddoekjes kwestie rond de Belgische school, is wat ik zoek op andere vlakken, bijvoorbeeld rond personeelsbeleid van christelijke organisaties in Nederland.
Wie pakt dat op?