Geloven & Leven

Revalidatie voor gehospitaliseerde kerken


Getagd: , , , .

‘Kerk kom je buitenspelen’ – het mag speels klinken en de toon van het verhaal van Cors Visser is luchtig (zie mijn vorige blog), maar ik kan een ander gevoel niet helemaal kwijtraken. Dat gevoel kwam vooral op toen ik samen met een tafelkring bij ons thuis dit boekje besprak. De deelnemers hebben diverse achtergronden: van rooms-katholiek tot gereformeerd. Wat me trof in dat gesprek was de herkenning: dit verhaal over relevantie voor de omgeving leeft sterk. Maar iets anders kwam ook direct boven en bleef lange tijd het gesprek domineren. Samengevat: bekijk nog eens de voorkant van het boekje, waarop treffend een schilderij van Marius van Dokkum staat afgebeeld: ‘dansje in de kerk’.

Dansje in de kerk - Marius van DokkumHet is een verbluffend plaatje dat hier gegeven wordt. Hoge kerkbanken (je hebt traptreden nodig om er in te klimmen), dicht op elkaar gepakt zitten daar de voorste gelederen van een gevestigde kerk. De preekstoel hangt hoog aan de muur en mist een trap naar beneden. Voer voor theologen. Alle ogen zijn intussen gericht op dat kleine spelende meisje voorin de kerk. Het licht valt er net op. Op haar vrolijke truitje prijkt onschuldig een lammetje. Dit beeld staat bol van symboliek. Maar wat me meer treft is dat het een gesprek wist te ontlokken waar ik me moeilijk van los kon maken.

De existentiële vraag luidde in het kort: hoe kom je met deze ideeën van kerk zijn dichtbij mensen voorbij die voorste gelederen van de kerk? Kennen veel gemeenten en parochies ze niet? De remmende krachten van meestal uiterst gelovige en persoonlijk bijzonder lieve mensen, die intussen collectief de beweging bevroren houden?

Theologisch kun je een appèl zoals dat in De spelende kerk gedaan wordt een vorm van reformatie noemen. Klinkt vertrouwd voor velen. Het lastige is echter dat we dan al snel weer in stellingnames duiken, analyseren en debatteren. Dit verhaal vanuit sociologisch perspectief laat echter iets zien dat eerder revalidatie genoemd moet worden. De kerk heeft een dusdanige handicap opgelopen als collectief verschijnsel, dat een oproep om buiten te komen spelen niet minder impliceert dat we naar de revalidatiekliniek zullen moeten. Klinkt niet als ‘dat doen we even’. Tegelijk blijf ik het pleidooi om dit soort ideeën gewoon wel te ‘doen’ en te experimenteren, van harte steunen en uitdragen. Maar in veel gevallen voorzie ik een revalidatieproces.

Het beeld dat dit oproept bij mij is de kerk als een man of vrouw met fors overgewicht. Het is zo erg geworden dat er veel op bed gelegen en gezeten wordt. Naar buiten gaan is er op een gegeven moment niet meer bij zonder hulpmiddelen. Lopen wordt een risico zonder begeleiding. Normale dingen zijn niet meer normaal. Tijd om in te grijpen en een lang proces van  revalidatie in te gaan.

Als ik het beeld verder invul zie ik een traditie van prediking en onderwijs die niet mis is. Het evangelie klonk eeuwenlang meermalen per zondag, doordeweeks waren de catecheselokalen gevuld en ook andere vormen van onderwijs en toerusting zijn de kerk niet vreemd. Maar al die bagage lijken geleid te hebben tot obesitas. Hoe kan dat? Ik kan dat element niet herleiden tot het evangelie zelf. Ik kan het ook niet geloven dat goede verkondiging zozeer tot dit verschijnselen kan leiden. En toch lijkt het daar wel op. Dat hoeft nog niet alleen iets te zeggen over de verkondiging, de theologie of de boodschap. Het zegt in ieder geval iets over de receptie, de ontvangst en verwerking. Het lijkt dat die verwerking rationeel z’n weg gezocht heeft, maar de rest van ons kerkelijke ‘lijf’ onvoldoende in beweging gebracht of veranderd heeft. Intussen hebben we het allemaal opgeslagen als kennis, als traditie, als vertrouwde klanken die rust bieden in tijden van nood.

Wat ik bij mijn gesprekspartners proefde zie ik als verdriet en boosheid over een gehospitaliseerde kerkgemeenschap. Mensen die niet in staat lijken om beweging toe te staan, laat staan zelf in de beweging mee te gaan. Natuurlijk is dit een element in een groter geheel. Maar het element is er niet minder belangrijk om. Waar ik intussen naar zoek is vooral: hoe kun je zonder in de bekende valkuilen van discussie en verwijdering binnen een kerk die beweging gewoon weer op gang brengen? Is dat in elke gemeente mogelijk of moet je uittreders gelijk geven die het opgegeven hebben en naar elders vertrokken? In de tijd uitgezet speelt dit element wel degelijk een rol bij gelovigen die buiten de kerk terechtgekomen zijn of eindeloos op zoek gingen van de ene na de andere gemeente.

De oplossing? Daar valt vast heel veel meer over te zeggen dan ik nu doe. Maar ik ben er steeds meer van overtuigd dat de oplossing gezocht moet worden in het downsizen van de kerk in z’n huidige vorm. Bij een spirituele vorm van obesitas is dat geen onlogische stap. Maak het kleiner, zorg voor meer lichtgewicht, voor wendbaarheid. Hele kerken in één keer veranderen is procesmatig al niet aan te bevelen. Het kleiner en dichter bij de grond brengen kan veel meer betekenen.

Waar de weg van reformatie vooral gericht is op het geheel en luid en duidelijk de juiste weg wil wijzen in een verworden toestand – daar zie ik revalidatie meer optreden in kleine stapjes die niet minder verstrekkend zullen zijn. Laat kerkgemeenschappen weer kleine en lichte gemeenschappen stimuleren binnen het geheel of aan de rand en ze hun gang laten gaan. Geef ze de zegen en laat hen experimenteren. Als voorbode van een gezonde leefstijl.

Of in termen van de speeltuin – zoals past in het taalveld van een spelende kerk: een speeltuin is geen pretpark. De meeste speeltuintjes bevinden zich in buurten, zijn klein en simpel. Maar ouders kennen elkaar al snel en kinderen kunnen daar veilig hun gang gaan. De drempel is niet hoog zoals bij een pretpark en de schaalgrootte is ook totaal anders. Het spel wordt toch vooral daar gespeeld: op straat, in de buurt, op de hoek twee blokken verderop.

Wat het van gemeenten vraagt is veel minder massief en niet zozeer lineair, maar interactief, met ruimte voor spontane acties en het omhelzen van persoonlijke initiatieven. De kerkelijke leiding hoeft daar niet zozeer de controle over te hebben, als wel visie en hart voor – en het vertrouwen dat we hierdoor meer van God in kunnen gaan ontdekken.

Pas een kerk die durft los te laten kan weer een beweging vormen.