Geloven & Leven, Geloven & Spiritualiteit

Gisteren nog gelukkig gereformeerd


1 reactie

Gisteren was ik nog gelukkig gereformeerd. Maar vandaag is de wereld anders. Die eerste zin is letterlijk uit de bundel Vrijgemaakt? en samen met de tweede typeert het wel redelijk wat 16 overwegend dertigers proberen te vertellen. Met enige tegenzin heb ik de bundel gekocht en gelezen en met gemengde gevoelens liep ik binnen bij de presentatie ervan op 13 september in een gedateerd zaaltje van de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. De stad waar ik me thuisvoel en waar ik heen verhuisde om vooral vooruit te kijken, te pionieren. Toch ben ik wel blij met deze bundeling van verhalen. En misschien is het waar wat de ondertitel suggereert: de dertigers doen dit anders dan wat je kunt verwachten bij verhalen over afscheid, zoeken en kritiek op de kerkelijke cultuur van je jeugd. Het is opener, diverser, misschien ook wel individualistischer. Typisch dertigers? Wat raakt me in dit boek en wat hebben de verhalen te vertellen? (lees verder)

Geloven & Leven

Vloeken als seculier gebed


Een pleidooi voor grondig vloeken onder de kop ‘Rollende godverdommes’. Het is donderdag, het artikel staat paginagroot met een krachtig ondersteunende kleurenfoto in de nrc-next. Even later buitelen de reacties over elkaar heen. Naast bijval ook veel kritische vragen en verontwaardiging. Rikko Voorberg heeft in ieder geval aandacht. Al is het nog even de vraag of het de mensen zijn van wie hij aandacht wilde met zijn pleidooi. Want het zijn intussen uiteraard vooral gelovigen, predikanten en kerkelijke kranten die reageren. Dat maakt m’n gevoel dubbel. Ik heb ook wel vragen bij deze poging om vanuit christelijke motieven de vloek te herijken. Maar ik moet eerst vooral de andere kant van Rikko’s pleidooi bijvallen. Uit allerlei reacties merk ik namelijk niet dat de gelovigen het eigenlijke artikel echt gelezen hebben.

1. Preken buiten je eigen parochie: wie kan het?

Als ik het verhaal lees en herlees proef ik in alles hoezeer Rikko de kunst verstaat om in een seculiere krant te schrijven. Wie denkt dat het een rellerige poging is om te vloeken in de kerk, zit er flink naast. Aangrijpingspunten zoeken om over God te spreken op een relevante manier in een seculiere context vraagt om een andere benadering dan het vertrouwde pad gaan. (meer…)

Geloven & Leven

Wat Jezus kan, kunnen wij ook (Marjoleine de Vos, heb je even?)


1 reactie

In dit weekend van Pasen, kopt de NRC OpinieWat Jezus kan, kunnen stervelingen ook. Over vergeving en het vermogen van de mens weer op te staan. Ik ben geboeid. Ik kan zo’n kop wel hebben: ergens is het waar. Maar waar is ergens? Ergens is het ook te simpel. Maar Marjoleine de Vos zou er hopelijk goed raad mee weten. Wat me verbaast is dat die hoop intussen de grond ingeboord is. Aanleiding om zelf weer eens op te staan met Pasen en te proberen iets te delen van waar het wel over gaat.

Het is riskant om met theologie je te begeven in de wereld van de kunst. En dat is wel wat het verhaal van Marjoleine de Vos vooral ademt. Wie verwacht dat het gesprek snel komt op wat normale stervelingen kunnen in dit leven, moet lang geduld hebben. Eerst gaat het kolommen lang over het uitgestreken gezicht van Jezus in de kunst. Een onpersoonlijk langs iedereen heenkijkend gestileerd portret. Interessant, maar wat doet het ertoe als je zo’n levensvraag boven je artikel gesteld hebt? Vervolgens komt een bekend gedicht van Jorge Luis Borges op tafel over het lijden van Jezus. Ik citeer even iets meer uit dit gedicht uit 1984:

Christus aan het kruis. Verward denkt hij aan
het koninkrijk dat hem wellicht te wachten staat
en aan een vrouw die niet de zijne was.
Hij weet dat hij geen god is, maar een mens
die met de dag vergaat. Het maakt hem niet uit.
Het harde ijzer van de spijkers maakt hem uit.
Hij is geen Griek en geen Romein. Hij kermt.
Hij heeft ons een schitterende beeldspraak nagelaten
en een leer van vergeving die het verleden ongedaan kan maken.
(Die wijsheid ontvloeide de pen van een Ier in een gevangenis.)
Gehaast zoekt zijn ziel het einde.
Het is wat donker geworden. Hij is nu dood.
Over het stille vlees kruipt een vlieg.
Wat kan het mij baten dat die man
geleden heeft, als ik nu lijd?

De laatste zinnen zijn een geweldige ingang om een terechte en soms existentiële vraag mee op tafel te leggen. De sfeer van Borges is triest en menselijk en verwijdert zich sterk van het bijbelse verhaal rondom de kruisiging en Jezus’ zelfverstaan. Ineens begin ik het verhaal van Marjoleine de Vos te volgen. De kunstuitingen van een iconische maar dode en onpersoonlijke Jezus komen uit bij een al te menselijke Jezus die een treurige dood sterft. Het enige dat overblijft is een idee van vergeving. Maar dat kunnen gewone mensen ook. Heb je geen god voor nodig, schrijft ze vol overtuiging.

Eerlijk gezegd: het wordt er niet spannender van als je een lijn in de kunst trekt waarin alles statisch en onpersoonlijk wordt. Om dan af te ronden met een gedicht dat Jezus als mens dood laat gaan, zonder sprankje hoop. Je mag het allemaal vinden, maar beste Marjoleine de Vos, je doet je eigen vraag geen recht. Die vraag raakt het existentiële niveau en dat is met dank aan de kunstroute wel erg op afstand komen te staan. Om dan kortweg te beschrijven hoe gewone mensen gelukkig (Goddank) in staat blijken te zijn om te vergeven en opnieuw te beginnen.

Ja, je hebt gelijk. Gewone, al of niet religieuze mensen kunnen vergeven. Kunnen hun leven opofferen voor anderen. Zoals Jezus deed. Je hoeft er niet gelovig voor te zijn. De conclusie dat je God er niet voor nodig hebt, is dan weer een heel ander punt. De ervaring van mensen die goede dingen doen, is geen grond om God af te schrijven. Ook zonder dat mensen zelf God erbij betrekken, wil dit niet zeggen dat God er niet bij betrokken is. En het zegt al helemaal niks over hoe de wereld eruit zou zien als God van het toneel verdwenen zou zijn omdat hij niet bestaat. Daar zou ik niet zo parmantig over doen.

Nee, gewone mensen zijn niet in staat tot de dingen die Jezus deed. Dat is de andere kant. Om de simpele reden dat Jezus meer deed dan waartoe wij met elkaar ooit toe in staat zullen zijn als mensen. De reden dat Jezus deed wat hij gedaan heeft, is juist omdat generaties mensen er intussen achter waren gekomen dat ze in een hopeloze spiraal waren terechtgekomen van geweld, ziekte, lijden, dood en zinloosheid. De dagelijkse stroom van nieuws geeft een aardig inkijkje in het arsenaal waartoe mensen in staat zijn als ze de weg kwijtraken en steeds minder lijken op de weerspiegeling van alles wat liefde, waarheid, recht en hoop mag heten. Een destructieve trek is niet meer weg te denken uit de menselijke geschiedenis. We zijn hopeloos overgeleverd aan onze eigen onmenselijke trekjes, hoe goed en menselijk we ook zeggen te willen zijn.

Het christelijke verhaal achter de wellicht wat verstarde afbeeldingen van hun Heer gaat over verlossing van het kwaad. Het wil het verhaal vertellen van één mens die God heeft laten zien tot in het diepst van zijn ziel, tot in de vezels van zijn bestaan. Kruis en opstanding zijn daarin altijd één verhaal geweest dat volstrekt tegen alle menselijke verwachting in zich voltrok voor de ogen van verbaasde mensen. Pasen is overrompelend geweest en trok langzaam maar zeker steeds meer mensen over de drempel van hoop en nieuw geloof. De eerste christenen waren andere mensen, niet omdat ze beter waren of verheven boven het alledaagse. De verandering was er een van binnenuit die hun leven totaal herstructureerde en hun karakter en keuzes vormde.

Daarmee zijn we bij de paradox gekomen dat mensen niet in staat zijn tot wat Jezus deed, maar juist zijn unieke overwinning op het Kwaad heeft een deur geopend naar geloof, hoop en liefde. Vergeving is geen christelijk privilege, maar aangeraakt worden door Jezus die leeft, heeft wel miljarden mensen veranderd en in staat gesteld waar ze uit zichzelf niet eens aan begonnen waren.

Voor mij maakt het veel uit dat Jezus geleden heeft, zelfs lichamelijk. Sindsdien kan ik God vinden op een plek waar ik begrepen wordt en oneindig gekend ben met alles wat mij bezighoudt. In Jezus heb ik een God gekregen die mij kan omhelzen. Geen religie biedt dit op deze manier. God die weet wat menselijk lijden is en tegelijk Jezus die dwars door de onzinnige en onmenselijke dood het leven terugneemt, opstaat en mij de hand reikt. Om dan te horen: “Wat ik deed, kan jij ook. Sta op en volg mijn spoor. Je kunt het. Ga. Heb lief. Overwin de angst die van het nieuws afspat. Wees goed nieuws voor jezelf en je omgeving. Heb lief zonder eigenbelang. Sta op en ga in mijn naam”.

Geloven & Leven

Revalidatie voor gehospitaliseerde kerken


‘Kerk kom je buitenspelen’ – het mag speels klinken en de toon van het verhaal van Cors Visser is luchtig (zie mijn vorige blog), maar ik kan een ander gevoel niet helemaal kwijtraken. Dat gevoel kwam vooral op toen ik samen met een tafelkring bij ons thuis dit boekje besprak. De deelnemers hebben diverse achtergronden: van rooms-katholiek tot gereformeerd. Wat me trof in dat gesprek was de herkenning: dit verhaal over relevantie voor de omgeving leeft sterk. Maar iets anders kwam ook direct boven en bleef lange tijd het gesprek domineren. Samengevat: bekijk nog eens de voorkant van het boekje, waarop treffend een schilderij van Marius van Dokkum staat afgebeeld: ‘dansje in de kerk’.

Dansje in de kerk - Marius van DokkumHet is een verbluffend plaatje dat hier gegeven wordt. Hoge kerkbanken (je hebt traptreden nodig om er in te klimmen), dicht op elkaar gepakt zitten daar de voorste gelederen van een gevestigde kerk. De preekstoel hangt hoog aan de muur en mist een trap naar beneden. Voer voor theologen. Alle ogen zijn intussen gericht op dat kleine spelende meisje voorin de kerk. Het licht valt er net op. Op haar vrolijke truitje prijkt onschuldig een lammetje. Dit beeld staat bol van symboliek. Maar wat me meer treft is dat het een gesprek wist te ontlokken waar ik me moeilijk van los kon maken.

De existentiële vraag luidde in het kort: hoe kom je met deze ideeën van kerk zijn dichtbij mensen voorbij die voorste gelederen van de kerk? Kennen veel gemeenten en parochies ze niet? De remmende krachten van meestal uiterst gelovige en persoonlijk bijzonder lieve mensen, die intussen collectief de beweging bevroren houden?

Theologisch kun je een appèl zoals dat in De spelende kerk gedaan wordt een vorm van reformatie noemen. Klinkt vertrouwd voor velen. Het lastige is echter dat we dan al snel weer in stellingnames duiken, analyseren en debatteren. Dit verhaal vanuit sociologisch perspectief laat echter iets zien dat eerder revalidatie genoemd moet worden. De kerk heeft een dusdanige handicap opgelopen als collectief verschijnsel, dat een oproep om buiten te komen spelen niet minder impliceert dat we naar de revalidatiekliniek zullen moeten. Klinkt niet als ‘dat doen we even’. Tegelijk blijf ik het pleidooi om dit soort ideeën gewoon wel te ‘doen’ en te experimenteren, van harte steunen en uitdragen. Maar in veel gevallen voorzie ik een revalidatieproces.

Het beeld dat dit oproept bij mij is de kerk als een man of vrouw met fors overgewicht. Het is zo erg geworden dat er veel op bed gelegen en gezeten wordt. Naar buiten gaan is er op een gegeven moment niet meer bij zonder hulpmiddelen. Lopen wordt een risico zonder begeleiding. Normale dingen zijn niet meer normaal. Tijd om in te grijpen en een lang proces van  revalidatie in te gaan.

Als ik het beeld verder invul zie ik een traditie van prediking en onderwijs die niet mis is. Het evangelie klonk eeuwenlang meermalen per zondag, doordeweeks waren de catecheselokalen gevuld en ook andere vormen van onderwijs en toerusting zijn de kerk niet vreemd. Maar al die bagage lijken geleid te hebben tot obesitas. Hoe kan dat? Ik kan dat element niet herleiden tot het evangelie zelf. Ik kan het ook niet geloven dat goede verkondiging zozeer tot dit verschijnselen kan leiden. En toch lijkt het daar wel op. Dat hoeft nog niet alleen iets te zeggen over de verkondiging, de theologie of de boodschap. Het zegt in ieder geval iets over de receptie, de ontvangst en verwerking. Het lijkt dat die verwerking rationeel z’n weg gezocht heeft, maar de rest van ons kerkelijke ‘lijf’ onvoldoende in beweging gebracht of veranderd heeft. Intussen hebben we het allemaal opgeslagen als kennis, als traditie, als vertrouwde klanken die rust bieden in tijden van nood.

Wat ik bij mijn gesprekspartners proefde zie ik als verdriet en boosheid over een gehospitaliseerde kerkgemeenschap. Mensen die niet in staat lijken om beweging toe te staan, laat staan zelf in de beweging mee te gaan. Natuurlijk is dit een element in een groter geheel. Maar het element is er niet minder belangrijk om. Waar ik intussen naar zoek is vooral: hoe kun je zonder in de bekende valkuilen van discussie en verwijdering binnen een kerk die beweging gewoon weer op gang brengen? Is dat in elke gemeente mogelijk of moet je uittreders gelijk geven die het opgegeven hebben en naar elders vertrokken? In de tijd uitgezet speelt dit element wel degelijk een rol bij gelovigen die buiten de kerk terechtgekomen zijn of eindeloos op zoek gingen van de ene na de andere gemeente.

De oplossing? Daar valt vast heel veel meer over te zeggen dan ik nu doe. Maar ik ben er steeds meer van overtuigd dat de oplossing gezocht moet worden in het downsizen van de kerk in z’n huidige vorm. Bij een spirituele vorm van obesitas is dat geen onlogische stap. Maak het kleiner, zorg voor meer lichtgewicht, voor wendbaarheid. Hele kerken in één keer veranderen is procesmatig al niet aan te bevelen. Het kleiner en dichter bij de grond brengen kan veel meer betekenen.

Waar de weg van reformatie vooral gericht is op het geheel en luid en duidelijk de juiste weg wil wijzen in een verworden toestand – daar zie ik revalidatie meer optreden in kleine stapjes die niet minder verstrekkend zullen zijn. Laat kerkgemeenschappen weer kleine en lichte gemeenschappen stimuleren binnen het geheel of aan de rand en ze hun gang laten gaan. Geef ze de zegen en laat hen experimenteren. Als voorbode van een gezonde leefstijl.

Of in termen van de speeltuin – zoals past in het taalveld van een spelende kerk: een speeltuin is geen pretpark. De meeste speeltuintjes bevinden zich in buurten, zijn klein en simpel. Maar ouders kennen elkaar al snel en kinderen kunnen daar veilig hun gang gaan. De drempel is niet hoog zoals bij een pretpark en de schaalgrootte is ook totaal anders. Het spel wordt toch vooral daar gespeeld: op straat, in de buurt, op de hoek twee blokken verderop.

Wat het van gemeenten vraagt is veel minder massief en niet zozeer lineair, maar interactief, met ruimte voor spontane acties en het omhelzen van persoonlijke initiatieven. De kerkelijke leiding hoeft daar niet zozeer de controle over te hebben, als wel visie en hart voor – en het vertrouwen dat we hierdoor meer van God in kunnen gaan ontdekken.

Pas een kerk die durft los te laten kan weer een beweging vormen.

 

 

 

Geloven & Leven

Kerk, kom buiten spelen!


1 reactie

Ik word wel vaker blij als sociologen zich met theologie bemoeien, zoals Miranda Klaver bijvoorbeeld. Het voordeel van een sociologische insteek valt niet te onderschatten volgens mij. Tenslotte gaat het in de kerk om mensen, omdat het om God gaat. Waar de theologie geneigd kan zijn het menselijke aspect naar de zijlijn te schuiven, zal een socioloog juist het menselijke als relevant onderdeel van het geheel naar voren halen. Cors Visser doet zoiets in zijn boekje De spelende kerk. En hij weet in een kort bestek een fascinerend plaatje te schetsen. Je leest het in een avond uit met twee koppen koffie en een glas wijn. Maar verslik je niet. Zonder drammerig te worden schoffelt dit boekje nogal een paar dingen los. In feite klinkt het verwijt dat de kerk z’n sociologische impact mede heeft verloren, omdat het is gaan uitbesteden aan christelijke organisaties. De weg terug klinkt simpel maar is verstrekkend: ga als kerk weer ‘inbesteden’.

De uitdaging van de benadering van Cors Visser zit voor mij op vooral twee punten. Twee kanten aan het verhaal, dat hij opbouwt vanuit onderzoek in Kenia, Brazilië en Nederland en die bijna tegengesteld lijken. De eerste kant is de waarde van geloofsgemeenschappen in zichzelf: gewoon door er te zijn, te bestaan. Ze creëren sociologisch gezien een speelveld. Een ruimte waar mensen leren, zich ontwikkelen en groeien door samen dingen te doen en te organiseren. Door met elkaar op te trekken als groep van uiteenlopende mensen. Daar zit al impact. Sociologisch wordt de impact pas echt groot en breder merkbaar als zo’n gemeenschap daadwerkelijk gaat buiten spelen: de andere kant van deze benadering. Het speelveld van de samenleving wordt weer betreden als geloofsgemeenschap en ook daar wordt gedaan, gegeven en geëxperimenteerd om het goede nieuws vorm te geven in het dagelijkse leven.

De waarde van de gemeenschap en de relatie van de gemeenschap met de omgeving (samenleving): dat klinkt logisch maar beide elementen is de kerk volgens mij nogal wat kwijtgeraakt. Als protestant lees ik bijvoorbeeld dat de theologische  nadruk op de persoonlijke verantwoordelijkheid als keerzijde heeft dat het individualisme daarmee ook een hoge vlucht heeft genomen. En die individuen hebben vervolgens veel georganiseerd voor de samenleving. Maar intussen is de kerk als gemeenschap daarmee wel eenzijdiger geworden.Het is een punt dat je ook al aantreft bij Charles Taylor, Een seculiere tijd: de kerk heeft de secularisatie zelf in de hand gewerkt.

Wees eerlijk: veel goede doelen hebben we ‘weggezet’ in organisaties. Als ik in de spiegel kijk van dit boekje valt mij op dat daarmee in feite twee elementen schade hebben opgelopen: de gemeenschap zelf functioneert minder sterk in Nederland dan bijvoorbeeld in Brazilië. En tegelijk is de missionaire impact ook aangeschoten wild geworden, omdat de kerk in onze context zich is gaan concentreren op verkondiging naar binnen toe. De goede doelen waren immers al geregeld via andere kanalen? Feitelijk is daarmee een dubbele boodschap ingeslopen in de evangelieverkondiging: die raakt vooral geestelijk gericht, terwijl we met de mond zullen belijden dat het ons ‘hele leven’ betreft en verandert. Maar de praktische verandering hebben we ongemerkt uitbesteed.

Ineens zie je jezelf bezig met twee werelden creëren door op zondag kerkdiensten te hebben voor je geestelijke heil en via de collecte een organisatie te steunen, die dan zorgt dat mensen in nood geholpen worden. Laat dat laatste nou gaan om die asielzoekers, die even verderop in je eigen woonplaats zitten? Ik fiets dus eerst langs ze om naar de kerk te gaan en daarna terug naar huis. Intussen heb ik het gevoel dat ik er ook ben voor deze mensen, tenslotte heb ik 2 euro in de collecte gedaan. Maar het komt niet meer in me op dat ikzelf degene ben die de drempel over zou moeten stappen van dat asielzoekerscentrum. En als ik dat al bedenk, voel ik me individueel verplicht. Een hoge lat die ik niet zie zitten. En daarmee heb ik weer mijn eigen geloofsgemeenschap buiten spel gezet, want het komt niet in me op om dit samen met hen op te pakken en er samen heen te gaan. Auw.

Theologisch gebeurt er nogal wat in dit korte verhaal vanuit een sociologisch perspectief. Dit raakt je hele manier van kerk-zijn. Het raakt aan veel vragen rond kerk en samenleving, secularisatie, missionair kerk-zijn, enz. Het voordeel is alleen dat al die elementen niet loodzwaar opgepakt worden, maar dat er lichtvoetig gepleit wordt voor een ander spel en daarmee ook voor een opnieuw inrichten van de speelruimte voor de kerkgemeenschap. Het is in mijn ogen een pleidooi voor discipelschap, zonder het woord zo expliciet te noemen. Volgens mij reikt dit verhaal elementen aan, waar we op dit moment niet omheen kunnen in kerkelijk Nederland.

Ik heb de afgelopen tijd meer met Cors Visser samen mogen werken in een begeleidingstraject van zijn thuiskerk in Utrecht. Ik heb daar meegemaakt wat hij kort ook beschrijft in zijn boekje: het is een stevige draai, die nodig is om als kerkgemeenschap te gaan zien dat je als kerk altijd een externe missie hebt. Een draai van individueel belang en intern belang naar een gezamenlijk belang voor je omgeving. Maar de moeite waard: De kerk is de enige gemeenschap in de wereld die bestaat voor het welzijn van haar niet-leden. Ik deel dan ook de bijna irritante stelling van dit pamflet dat het speelveld van de kerk pas drastisch verandert als de kerk zich eerst gaat richten op mensen buiten de kerk. ‘Buiten’ verandert ‘binnen’ en alleen zo gaat ‘binnen’ ‘buiten’ veranderen. Dat is haaks op de veel gehoorde opmerking dat we eerst onze zaken binnen op orde moeten hebben, voordat we ons naar buiten kunnen richten.

Het mooie is dat dit pleidooi voor buiten spelen nu eens niet komt vanuit een normatief theologisch betoog, maar vanuit een sociologisch onderzoek dat laat zien wat er gebeuren kan als dit werkelijkheid is. Het boekje heb ik besproken met een tafelkring met mensen uit diverse achtergronden. Vanuit die gesprekken wil ik nog een paar andere dingen oppakken in een volgende blog en raakt ook praktische vragen: hoe ziet dit er uit en wat betekent dat praktisch?